Minister: continu frictie tussen privacywet en inzet technologie voor opsporing
In dit artikel:
Minister Roelof van der Veen (Van Weel?) — let op: in het oorspronkelijke stuk staat minister Van Weel — zegt dat privacyregels het inzetten van moderne opsporingstechnieken belemmeren en wil met de Tweede Kamer verkennen waar de grens ligt tussen de privacy van onschuldigen en het gebruik van technologie tegen relschoppers. Tijdens een debat over de normalisering van geweld in politiek en samenleving wees hij erop dat cameratoezicht belangrijk is voor zowel live ordehandhaving als achteraf-opsporing, maar dat wettelijke beperkingen het gebruik van bijvoorbeeld gezichtsherkenning bemoeilijken.
Er ligt een wetsvoorstel bij de Raad van State om politie het gebruik van openbare digitale bronnen — zoals openbare chatgroepen — te vergemakkelijken. Van Weel wil daarnaast dit jaar een conceptwetsvoorstel klaar hebben waarmee de politie ook in besloten appgroepen kan meekijken; voorlopig mag de politie zulke groepen alleen nog openlijk betreden, waarna gesprekken vaak stoppen ("dag, ik ben van de politie"). Hij ziet dit als een tweeledige aanpak: eerst publieke bronnen, daarna — hopelijk vóór het einde van het jaar in consultatie — ook toegang tot besloten groepen om beter voorbereid te zijn op demonstraties en gewelddadigheden.
Kortom: de minister zoekt een nieuw evenwicht tussen effectieve opsporing en bescherming van burgerlijke vrijheden. Context: het raakt aan bredere discussies over privacy (zoals GDPR) en de inzet van gezichtsherkenning in openbare ordezaken.